Dat methanol een goede vervanger zou kunnen zijn van stookolie is al vaker in onderzoeken naar voren gekomen, maar twee tankers van het Zweedse Marinvest hebben dat nu ook bewezen. Deze twee schepen hebben nu ieder al zo’n 10.000 uur zonder problemen op de brandstof gevaren en voorkwamen hiermee de uitstoot van zo’n miljoen kilo aan zwaveloxide.

De olie- en chemicaliëntankers Mari Jone en Mari Boyle van Marinvest, beide 49.999 dwt, werden gebouwd op de Hyundai Mipo scheepswerf in Ulsa in Zuid-Korea en kwamen in april en augustus van 2016 in de vaart. Het waren de eerste schepen die naast de conventionele brandstoffen als stookolie, ook op methanol konden varen. De schepen kregen daarvoor ME-LGI (Liquid Gas Injection Methanol) dual-fuel motoren van MAN Energy Solutions in de machinekamer. Na het aanpakken van de gebruikelijke kinderziektes, draaien de MAN ME-LGI-motoren op de twee schepen volgens de motorenbouwer nu soepel zonder onderhoudsproblemen.

MAN Energy Solutions ontwikkelde de ME-LGIM dual-fuel motor voor gebruik op methanol, zware stookolie (HFO), scheepsdieselolie (MDO) of scheepsgasolie (MGO) als reactie op de belangstelling van de scheepvaart voor het werken met alternatieven voor zware stookolie. ‘Methanol is een biologisch afbreekbare, schoon brandende brandstof. Het is een van ’s werelds grootste verhandelde chemicaliën en wereldwijd beschikbaar. Qua kosten kan het concurreren met conventionele brandstoffen.’

De motor is gebaseerd op MAN’s ME-serie, waarvan inmiddels ongeveer 5.000 motoren in bedrijf zijn. Wanneer de schepen op methanol gaan varen, gebruikt de ME-LGI de brandstoffen HFO, MDO of MGO nog slechts als pilot fuel. Hierdoor vermindert de uitstoot van CO2, NOx en SOx aanzienlijk en wordt de methanol-slip geëlimineerd.

De omschakeling tussen methanol en andere brandstoffen gaat volgens MAN naadloos. Testen van de motor hebben bij gebruik op methanol zelfs dezelfde of een iets betere efficiëntie aangetoond in vergelijking met conventionele motoren die op HFO werken. En ook in de praktijk is dat volgens de motorenbouwer nu bewezen.

‘Economische brandstof’

Het Zweedse Marinvest is een particuliere scheepvaart- en investeringsgroep, het bedrijf beheert en is eigenaar van product- en chemicaliëntankers. De deelnemingen van Marinvest omvatten investeringen in tankers van ongeveer 80.000 dwt, chemische tankers variërend van 20.000 tot 50.000 dwt, een kustvaartrederij die nog in ontwikkeling is en onroerend goed.

De twee methanoltankers Mari Jone en Mari Boyle varen in charter voor Waterfront Shipping, een dochteronderneming van Methanex Corporation, ’s werelds grootste producent en leverancier van methanol. De schepen zijn wereldwijd actief. Ze zorgen voor een ononderbroken stroom van methanol tussen de opslagterminals en fabrieken. Naast de Mari Jone en Mari Boyle heeft Marinvest nog drie methanoltankers, de Marinex, Mariline en de Marit.

Al vele jaren wordt methanol op zee vervoerd. ‘Omdat er al een haalbare, handige en economische brandstof aan boord is, is het nuttig om een fractie van de lading te exploiteren om een schip van stroom te voorzien. Een andere belangrijke factor is het voordeel voor het milieu’, stelt senior vice president Bjarne Foldager van MAN Energy Solutions, die in de gemaakte uren van de twee ankers ‘het bewijs ziet van het sterke concept van ME-LGI motoren’.

Methanolproject

Maar niet alleen in Zweden, ook in Nederland wordt gekeken naar hernieuwbare methanol als alternatieve brandstof. Het projectconsortium Green Maritime Methanol  selecteerde onlangs negen schepen voor onderzoek naar de toepassing van methanol als brandstof. Het zijn, zoals Schuttevaer eerder berichtte, zowel nieuwe ontwerpen en nieuwbouwschepen als bestaande schepen van Boskalis, Van Oord, Koninklijke Marine en Wagenborg.

De partijen verwachten veel van de uitwisseling van de beschikbare kennis binnen het consortium en zien veel mogelijkheden om methanol als duurzame alternatieve brandstof in de maritieme sector in te gaan te zetten. Het project wordt ondersteund door TKI Maritiem en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en duurt tot december 2020.

Bron: Schuttevaer